’t Faan

’t Faan is een klein natuurgebied. Het ligt als een groen eilandje in het zeer open polderlandschap van de streek Faan. ’t Faan is een restant van de veenontginning die vanuit Zuidhorn gestart is. De verkaveling is daarom zuidwest-noordoost gericht in plaats van noord-zuid.

Het gebied bestaat vooral uit deels open, deels verlande petgaten, hooilanden, rietlanden en bosjes. Ondanks de geringe omvang kent ’t Faan een grote diversiteit aan natte natuur.

Uitleg termen

Rietland

Een laaggelegen gebied, met een hoge waterstand. Riet is er dominant.

Petgaten

Petgaten ontstonden in de periode van turfwinning. Het zijn de stroken waar veen is afgegraven. Deze petgaten zijn vaak veranderd in plassen. En soms zijn ze weer dichtgegroeid met waterplanten en veenmossen.

Hooiland

Grasland, met eerder als doel de opbrengst van hooi. Was van belang voor het bijvoeren van rundvee en voor de paarden. Tegenwoordig worden sommige hooilanden behouden vanwege natuurdoelen.

Natuur

De inrichting is gebaseerd op een voortzetting van de huidige situatie. Het stukje bestaande natuur wordt uitgebreid. De lage ligging van het gebied wordt door de vernatting wat meer geaccentueerd. De afwijkende verkavelingsstructuur ten opzichte van de directe omgeving blijft behouden.

Door het gebied als een geheel in te richten ontstaat een sterker, robuuster geheel, waardoor de natuurwaarden versterkt worden.
In het uiteindelijke ontwerp en in het beheer kan gekozen worden voor lage vegetaties waardoor zichtlijnen behouden blijven.

Water

Er wordt geen waterberging in ’t Faan gerealiseerd.

In ’t Faan richten we ons op:

  • Het verhogen van het water in de winter.
  • Het verminderen van het wegzakken van grondwaterstanden in de zomer (door wateraanvoer).

Met de herinrichting wordt neerslag beter vastgehouden in het gebied. Dit draagt bij aan het lokaal vasthouden van water en de aanvulling van het grondwater. In droge periodes zal er waarschijnlijk water worden ingelaten.